Boeken week
De aankondiging was groots. Leiden Centraal! Gratis reizen! Tom Lanoye! Kluun! Edsilia Rombley! Sara Kroos! Arthur Japin! Dus vertrok ik zondag met De heldere hemel naar Leiden.
Ik stond achter een man met alpinopet. Een zwartleren jas met een omgeslagen kraag. Die kraag heeft zich vermoedelijk halsstarrig verzet tegen het lillende nekvel, maar uiteindelijk zijn verzet moeten staken. De rimpels in dat vel waren rood doorlopen. Grijze, matte haren staken tussen de rimpels door naar buiten. Kijkend naar de nek voor mijn neus dacht ik aan een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog. De rimpels in de nek van de man waren gemodelleerd naar de loopgraven van de slag om de Somme. Zou de goede man daar zelf nog gevochten hebben?
Ik probeerde me te focussen op Arthur Japin, die een fragment voordroeg uit zijn binnenkort te verschijnen roman…
‘Pling, plong, ploeng, dames en heren, de vertraagde intercity in de richting Rotterdam, Dordrecht, Breda komt over enkele ogenblikken binnen op spoor 8a. Herhaling: de vertraagde intercity in de richting Rotterdam, Dordrecht, Breda komt over enkele ogenblikken binnen op spoor 8a.’
Sfeer bepaalt het succes van een roman. Kan een schrijver met de juiste stijl, de juiste woorden, de juiste zinnen een geloofwaardige sfeer oproepen? Verspilde moeite als je op een stationshal staat. Het had iets aandoenlijks, deze hele middag.
“Mensen, mensen! Lezen jullie niet? Wat zonde nou! Kom toch naar Leiden, dan maak je nog eens iets mee wat je totale wereldbeeld wat lezen betreft zijn zijn kop zet. Dan piep je wel anders! Dan ren je de nabijgelegen AKO in om de nieuwe Arnon Zwagerkluun te kopen.”
Het lukte niet. Het waren te verschillende werelden. De omgeving klopte niet. Het was alsof de directie van de NS besloten had om ‘toch ook iets met de Boekenweek te doen op een originele locatie’. Alsof ze vergeten waren een leuk zaaltje te huren.
Ik hoor het zo’n bij het uitzendbureau ingehuurde student, belast met de organisatie, pruilen: ‘Buiten het station mocht niet, want we hadden geen vergunning’.
Literatuur heeft die gun-factor namelijk niet meer.
Nu wil ik niet beweren dat de literatuur zich terug moet trekken in haar ivoren toren. Maar zij hoeft zich ook niet te verlagen tot een positie waarin ze zich onderbrekingen door omroepberichten hoeft laten welgevallen. Die onderdanige houding heeft ze niet nodig. Kin omhoog, borst vooruit! Volgend jaar kom ik weer!
Scribo ergo sum
In 1999, toen ik eindexamen deed, was het nog mogelijk. Een jaar later ook. Maar vanaf 2001 is het bergaf gegaan. Sinds dat jaar was het niet meer mogelijk om bij het eindexamen Nederlands een verhaal te schrijven. Nou ja, mensen die het examen oude stijl deden misschien nog wel (ik heb even opgezocht en tot en met 2004 werden er examens oude stijl gemaakt). Maar de nieuwe lichting jongeren had die optie niet. Sterker nog: de stelopdracht verdween vanaf 2001 uit het centraal eindexamen.
Op de meeste scholen zal deze in het schoolexamen terecht zijn gekomen. Nu zullen sommige mensen denken: schrijven in het eindexamen of schrijven in het schoolexamen, dat is toch om het even? Maar in het schoolexamen is het op de meeste scholen niet mogelijk om een verhaal te schrijven. Het zijn zakelijke teksten wat de klok slaat. De teksten die zij schrijven moeten ‘nut’ hebben.
Nu ben ik docent en hebben mijn leerlingen teksten geschreven. Die moet ik nakijken aan de hand van een beoordelingsformulier waar geen speld tussen te krijgen is. Alles is dichtgetimmerd. Weg spontaniteit, weg creativiteit. De kinderen moeten blijkbaar leren dat hun gedachten in een van tevoren vastgelegde mal moeten passen. Het cijfer dat leerlingen krijgen moet tot ver achter de komma te verantwoorden zijn.
Nu zit ik met een berg teksten voor mijn neus van leerlingen en de moed zakt me in de schoenen. Teksten die door de bank genomen steriel, kil, koel en zakelijk zijn. Door de dichtgetimmerde opdracht hoef ik geen opruiende, rebelse, de heersende mores verwerpende teksten te verwachten.
Soms smeek ik mijn leerlingen in gedachten: doe het eens anders. Lap de regels aan je laars en schrijf iets van jezelf. Schrijf iets op waaruit je persoonlijkheid blijkt. Je bent een levend wezen, je bent uniek. Geef daar alsjeblieft blijk van! Dan sijpelt er iets van jou als persoon door in je tekst. Dan krijg ik een inkijk in wat het is om jou te zijn. Jouw gedachtegang zie ik dan in volle glorie. Dan vind ik je tekst geloofwaardig.
Even een smal zijweggetje in voor ik terug kom op die geloofwaardigheid: een paar weken geleden las ik het boek ‘Writing with power’ van Peter Elbow. Hij benadrukt het verschil tussen schrijven met angst om fouten te maken en oprecht goed schrijven. Het eerste is een manier van schrijven waarbij je fouten probeert te vermijden. Als je maar alle slechte gedeeltes schrapt, dan houd je een tekst zonder fouten over. Oprecht goed schrijven gaat juist ervan uit dat je niet bang moet zijn om troep op papier te zetten. Creativiteit ontstaat niet wanneer je voortdurend kritisch kijkt of wat je bedacht hebt wel goed genoeg is. Ideeën leveren vanzelf weer nieuwe ideeën op. Dan zit er vast wel iets goeds tussen. De essentie is dat je de vrijheid hebt om iets te vinden wat echt van jezelf is. Dan vind je je eigen stem op papier. Dan kun je de pareltjes uit de stront vissen. Dat verbeteren en herschrijven komt later wel.
Dat is nu het manco aan het schrijfonderwijs van nu. Door leerlingen alleen maar ‘nuttige’ teksten te laten schrijven, door alles dicht te timmeren, door hen vrijheid te ontnemen worden ze ontmoedigd creatief te zijn. Ze kunnen alleen nog maar schrijven zonder fouten. Je eigen stem op papier vinden is daardoor een haast onmogelijke opgave.
Schreven de leerlingen van tien jaar geleden beter? Ik weet het niet. Waarschijnlijk niet. Maar hun werd in elk geval de kans geboden om hun gedachten weer te geven en iets van zichzelf te tonen op het eindexamen. Ze kregen op zijn minst de mogelijkheid om geloofwaardig te zijn.
De Zondvloed
“Ik belijd voor de almachtige God, en voor u allen, dat ik gezondigd heb in woord en gedachte, in doen en laten, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld…”, zei de pastoor. Giel kon er maar met moeite zijn aandacht bij houden. Hij moest echt heel nodig plassen. Maar hij kon niet gaan. Niet nu. Hij voelde de plas meer en meer aandringen, terwijl hij op het bankje in de hoek naast Ludo onrustig zat te draaien.
Straks moesten ze weer gaan staan en dan zou hij het echt niet meer op kunnen houden. Giel keek angstvallig in het rond. De pastoor was druk bezig met de mis, die lette nu echt niet op hem. Op de eerste paar rijen zaten wat plukjes oude mensen. Die keken aandachtig naar de pastoor; sommigen hadden hun ogen gesloten om zich te concentreren op wat de pastoor zei. Ludo keek hem af en toe wel aan, maar het was hun niet toegestaan om te praten. Niet dat Ludo normaal gesproken veel zei.
“Heer, ontferm u over ons. Christus, ontferm u over ons. Heer, ontferm u over ons”, sprak de pastoor. Het maakte Giel niet zo gek veel uit, als er zich maar iemand over hem ontfermde en hem toestond naar het toilet te gaan. Deze toestand hield hij namelijk niet zo heel lang vol.
Maar tegenover hem, aan de andere kant van het altaar zat de diaken. Nee, het maakte Giel wel degelijk uit: de diaken hoefde zich niet over hem te ontfermen. Giel had voor het begin van de mis aan hem gevraagd of hij nog even naar de wc mocht, voordat hij zijn jurk en hemd aan had moeten trekken. De diaken had vermanend gereageerd: “Nee, je mag niet naar de wc. Concentreer je nu eens op de plechtige taak die je te vervullen hebt. En dan nog iets: die jurk heet een toog en dat hemd heet een superplie, jongeman. We moeten de dingen wel bij hun juiste naam noemen, anders gaat het helemaal mis!” Dat laatste vond Giel een onbedoeld grappige opmerking. Maar hij hield zijn mond maar dicht. De diaken wilde je niet tegen je in het harnas jagen.
Giel hield het nu echt niet meer. Hij krulde zijn tenen, hield zijn knieën dicht tegen elkaar aan en drukte met zijn vuisten in zijn kruis, in de hoop dat zijn plas terug zou kruipen. Maar het hielp niet. Hij moest alleen maar meer. Alsof zijn blaas een spons was die hij met zijn vuisten uit had geknepen.
Wat was erop tegen om gewoon op te staan en naar de wc te lopen? De gelovigen in de bankjes zouden wellicht raar opkijken en de pastoor zou vast perplex staan. Maar de diaken zou woedend zijn. Die zou hem bij zijn oor vastpakken en zeggen dat hij hen allemaal voor schut had gezet. Niet alleen voor de parochie, maar erger nog: voor God zelf. De toorn van God leek zo erg niet vergeleken met zijn huidige toestand. Maar het vooruitzicht van een boze diaken boezemde bij hem een zodanige angst in dat hij toch maar bleef zitten.
Giel probeerde een andere tactiek. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn geest leeg te maken. Hij haalde diep adem en blies deze heel langzaam weer uit. In deze staat van opperste concentratie lukte het hem een paar tellen om zijn om verlichting brullende blaas te vergeten, maar niet meer dan dat. Het was simpelweg onmogelijk om deze nood weg te drukken. Hoe lang duurde deze mis nog?
De diaken stond op en liep naar het katheder. Nu kwam de eerste lezing, waarbij de diaken een stuk voorlas uit de Bijbel. Alle aanwezigen gingen plechtig staan, Giel moest automatisch mee doen. De diaken las voor: “Noach was zeshonderd jaar toen de zondvloed kwam, een watermassa die de aarde overspoelde.” Dat meen je toch niet, dacht Giel. De diaken had dit fragment vast opzettelijk gekozen, om hem extra te tarten. Zo’n soort man was de diaken wel.
Giel hoorde hem verder lezen: “De vloed overstroomde de aarde veertig dagen lang. Het water steeg en de ark werd opgetild, zodat hij van de aarde loskwam. Het water op aarde nam steeds maar toe, hoger en hoger steeg het, en de ark dreef op het water. Het water bleef voortdurend toenemen, zelfs de hoogste bergen kwamen onder te staan.”
Het was een regelrechte kwelling te moeten luisteren naar een verhaal over de zondvloed terwijl Giel worstelde om zijn eigen zondvloed tegen te houden. Giel vervloekte de diaken in gedachten. Hun verstandhouding was al vanaf dag een verstoord geweest. Giel wilde liever niet, maar zijn ouders hadden hem onmiskenbaar onder dwang aangemeld als misdienaar. Niet lang daarna was hij, net als alle andere nieuwelingen, ’s middags door de diaken opgetrommeld voor een korte instructie. De oude man voerde alle handelingen precies zo uit als tijdens een echte mis. Aan het eind moest iemand met een wierookvat naast de diaken de traptreden bij het altaar af lopen. De keuze was op Giel gevallen. Terwijl hij samen met de diaken de trap af daalde, had hij iets te enthousiast met het vat geslingerd. Een fractie van een seconde later lag de diaken languit op de vloer. Alle nieuwelingen hadden het uitgeschaterd. De diaken had Giel bij zijn oor vastgegrepen en naar de anderen gebulderd dat dit soort grappen duur werden betaald. Daarna sleepte hij Giel naar de sacristie.
“Luister eens hier, snotjoch. Ik zie types zoals jij elk jaar weer voorbij komen. Denken dat je even op je elfendertigste de taak van misdienaar kunt volbrengen. Ik eis toewijding.”
“Sorry meneer, het ging per ongeluk.”
“Dat zijn excuses, daar moet je het niet op laten aankomen, daar houd ik niet van. Je moet doen wat er van je verwacht wordt. Of moet ik tegen je ouders zeggen dat je er de kantjes vanaf loopt?”
“Nee meneer, dat is niet nodig. Doet u dat alstublieft niet?”
Giel zag de bui alweer hangen. Zijn ouders hadden een grenzeloos ontzag voor geestelijken. Wanneer hij thuis zou komen nadat zijn ouders zo’n bericht hadden gekregen, zwaaide er wat.
“Goed dan, ga terug naar de groep en hou je mond dicht.” De diaken gaf hem nog een ferme tik na en liep weer naar de groep nieuwelingen. Sindsdien probeerde Giel hem te mijden, want hij was als de dood per ongeluk iets te doen waarmee hij de diaken tegen het hoofd stootte.
Giel had niet in de gaten dat de pastoor de mis alweer overgenomen had en bezig was met het Onze Vader: “…en leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.”
Giel kon niet meer. Hij liet het maar lopen, eindelijk zijn eigen verlossing. Hij voelde een warme gloed door zijn benen trekken.
“Amen”, reageerden alle aanwezigen op de pastoor. Een langdurige stilte volgde.
Tot zijn schrik hoorde Giel zijn plas druppelen op de tegelvloer van de kerk.
Hij keek naar de overkant van het altaar. De open mond van de diaken veranderde in een gemene grimas.
The American Dream
Sue zat op de bank en weigerde haar vader aan te kijken. Ze staarde naar het plankje aan de muur. Blood is thicker than water, stond erop. Met een suf riviertje eronder. Aan dat soort uitspraken had ze nu even geen boodschap. Billy Ray stond in de deuropening.
‘Ik snap je echt niet. Wat heeft zo’n chilivreter je meer te bieden dan een Amerikaanse jongen?’
Hij wankelde haar richting uit, struikelde over een paar schoenen en belandde naast haar. Een zurige alcoholwalm kwam uit zijn keel omhoog.
‘Luister, het gaat nu even niet zo goed, maar ik weet zeker dat ik binnenkort weer aan de slag kan. Joel heeft me gisteren gezegd dat hij misschien wel een klusje voor me heeft. En dan gaat het vast snel weer…’
‘Flikker toch op pa, geloof je het zelf? Joel zegt dat al maanden.’
‘Maar je hoeft je daarom nu toch niet te verlagen door met zo’n tequilazuipende…’
‘Moet jij nodig iets van zeggen! Hou je bek dicht, spaar die gore adem van je maar.’
Sue duwde haar vader aan de kant en rende de trailer uit. Buiten haalde ze diep adem en liep naar haar Chevrolet Camaro. Ze ging in haar auto zitten en zuchtte. Billy Ray had er niks van begrepen. Ze wilde haar plan met hem delen, maar als hij zo reageerde, hoefde het van haar niet meer. Misschien was het ook maar beter. Hoe minder mensen ervan af wisten, hoe beter.
Ze startte de wagen en reed richting de grens.
*
Javier keek Sue minzaam aan. Vandaag zouden ze het gaan proberen. Hij bewonderde haar dat zij zoveel risico wilde lopen voor hem. Het plan was heel simpel. De beste ideeën zijn simpel.
Afgelopen week had hij de kofferbak van haar wagen verbouwd. Hij kon nu opgerold tegen de achterbank aan gaan liggen en dan plaatste zij een schot tegen hem aan, zodat het net leek alsof de kofferbak heel klein was. Alsof er niets in lag.
Het zag er erg vakkundig uit. Javier was dan ook een handige jongen. Hij had de afgelopen jaren met klusjes in de omgeving van El Gavilán aardig wat spaargeld verdiend, maar de vooruitzichten waren niet best. Door de geringe hoeveelheid vast werk en het drugsgerelateerde geweld zag hij weinig heil in blijven.
Een paar maanden geleden had hij Sue leren kennen in een kroeg in Tijuana. Ze raakten aan de praat en door de vele drank was hij wat losser dan normaal. Hij had ook terloops opgemerkt dat het zijn droom was om iets in de VS op te bouwen, daar had hij zijn spaargeld ook voor achter de hand. Hij dacht aan een bouwbedrijf of een garage. Dat soort werk zat hem in het bloed.
Na die ene avond in de kroeg spraken ze nog een paar keer af. Dat mondde uit in iets serieus. Zij wilde meer weten over zijn plannen om naar de VS te gaan en hoe hij dit op wilde zetten. Zij had hem er uiteindelijk van overtuigd dat het een slecht plan was om alles officieel te doen. Dat kostte alleen maar heel veel geld, papierwerk, moeite, en dan was het bovendien nog maar de vraag of het zou lukken. Mocht het wel lukken dan was je voornamelijk je zuurverdiende geld kwijt aan belastingen, aan verzekeringen en noem maar op. Nee, het was veel slimmer om illegaal de grens over te steken. Zij wist wel hoe ze dat voor elkaar moesten krijgen.
De uitvoering van hun plan verliep voorspoedig. Hij had uitsluitend de hoognodige spullen gepakt en onderin haar tas gestopt. Zijn spaargeld had hij in de voering van haar tas verstopt. Dichtbij de grens, op een onopvallende plek, was hij in de kofferbak gekropen.
Toen de auto bij de grensovergang stopte en de controle werd uitgevoerd, hield hij zijn adem in. Uiteraard werd ook de kofferbak geopend en hij hoorde de customs officer ontspannen met Sue babbelen. Blijkbaar had de man niets in de gaten van wat er zich onder zijn neus afspeelde. Hij maakte zelfs enkele seksuele insinuaties naar Sue. In een andere situatie had Javier hem zeker op zijn plaats gezet. Hij had toch zijn eergevoel. Maar nu hield hij zich stil.
Nadat Sue door mocht rijden wachtte Javier af. Ze hadden afgesproken dat Sue na ongeveer een half uur rijden pas zou stoppen en de kofferbak zou openen. Voor de zekerheid.
Toen de auto stopte was hij extatisch. Nu zou zijn nieuwe leven met zijn geliefde in een ander land, met veel vooruitzichten beginnen. Hij hoorde dat de achterdeur werd geopend. Hij riep Sue. Hij trommelde tegen de achterbank. Hij kon niet wachten tot hij kon staan, kon ademen, de liefde van zijn leven in zijn armen kon houden.
De achterdeur werd weer dichtgeslagen. Het bleef stil.
De auto kwam weer in beweging. Maar de motor liep helemaal niet. Wat was dit? Hij riep Sue weer. Ineens voelde hij dat de auto een duik maakte.
*
Sue liep met haar tas door de woestijn terug naar huis. Billy Ray zou het niet begrijpen, maar het geld zou vast veel goedmaken.
De kroeg
De klanken van 'Clocks' van Coldplay, toonaangevende band uit de zeroes, worstelen zich door vuige bierlucht en rookwalmen heen. Zij staat alleen. Allen hebben hun soul mate voor deze avond al gevonden behalve zij. Blikken glijden langs haar rondingen. Haar volmaakte symmetrie schrikt omstanders af. Ze danst en is het middelpunt. In deze kroeg is zij de alfa en de omega. Wanneer opposites attract blijft er voor haar niemand over. Maar vannacht, als de anderen innig samensmelten naderen ze haar mate van perfectie.
Venster op de wereld
Anderhalf bij twee
met een grijsgranieten vloer.
Twee varens
zelfde kleur
zelfde grond
op noodzakelijk geachte afstand
staren naar elkaar.
Diepgeworteld
krijgen ze met regelmaat
van de klok een injectie
die ze nodig
menen.
Tussen onzichtbare muren
wachten ze geruisloos op zonlicht
dat er allang is.
Tweestrijd
Denk in oplossingen, niet in problemen,
werd me altijd ingeprent.
Daaraan raak je snel gewend
als je beslissingen moet nemen.
Heerlijk, oplossingen zonder nadelen.
Honger? Eet je buikje rond!
Te dik? Sport je weer gezond!
Ze vergroten het geluk van velen.
Deze afweging was echter broos
onverenigbare wensen najagen
gaat niet pijnloos
er blijft iets knagen
ik verloor wat ik niet koos
een oneindig onbehagen
Metseldrang
Sandra geeft Harrie de laatste twee tassen aan. Hij loopt alvast richting het huisje, terwijl Sandra de achterklep sluit. Ze haalt diep adem en kijkt uit over de parkeerplaats: een door bos omringd plein waar gasten bij aankomst hun auto parkeren. Aan de overkant wordt hardop gelachen. Kinderen dringen om hun moeder heen, die een krat boodschappen richting hun huisje sjouwt. Wellicht zit daar snoep in. De vader schatert en roept de karavaan iets na. Een kleine yorkshireterriër dartelt in het rond en keft naar zijn baasje.
Sandra zucht. Ze slentert over het paadje tussen de bomen door naar hun huisje. Harrie heeft de schuifdeur al geopend. Hij heeft hun koffers ongeïnteresseerd naast de bank gezet en is nauwgezet bezig alle boodschappen op hun plek in de keukenkastjes te zetten. Ze laat hem maar, want ze weet uit ervaring dat dat beter is. Ze neemt de koffers mee naar de slaapkamer. Sandra zet ze in een hoek en laat zich op het bed vallen. Opruimen komt zo wel.
Hier snakt ze naar. Een lang weekendje met zijn tweeën ertussenuit is hard nodig, ze heeft het er moeilijk mee. Nu maar hopen dat Harrie het ook van zich af kan zetten. Ze wil ook met leuke dingen bezig zijn, niet haar leven laten bepalen door Harries probleem.
Straks gaan ze lekker zwemmen, ’s avonds in het Plaza genieten van een verrukkelijke cappuccino, misschien ziet ze in het winkeltje nog een leuke tas of een paar schoenen, morgenochtend laten ze lekkere broodjes aan huis bezorgen. Het moet echt een onbezorgd weekend worden. Het moet.
…
Vier uur negentien staat op de digitale wekker. Harrie heeft nu al zo lang naar dat ding liggen turen dat de rode cijfers op zijn netvlies branden. Als hij zijn ogen sluit ziet hij ze nog steeds. Hij weet waarom hij niet kan slapen, maar hij heeft het Sandra beloofd. Hij draait zich nog een keer om.
…
Harrie piekert over wat zijn baas hem heeft verteld. Dat hij te langzaam metselt en dat daar verbetering in moet komen. Harrie zou ook te vaak fouten maken, zijn baas heeft hem slordig genoemd. Hij moest eens weten. Zelfs een bijna perfect geplaatste baksteen is niet goed genoeg, dan moet het helemaal opnieuw.
…
Het aanhoudende gewoel is iets waar Sandra vaker van heeft gezegd dat ze er gek van wordt. Hij gaat daarom maar rechtop zitten. De wekker laat hem weten dat het vijf over vijf is. Hij glijdt met zijn voeten in zijn pantoffels en sloft de slaapkamer uit. Tevergeefs probeert hij de vermoeidheid uit zijn ogen te wrijven voordat hij het licht in de keuken aan doet. Hij passeert de keukenkastjes en probeert zich te herinneren hoe hij alles geordend heeft. Nee, hij moet nu gaan plassen. Hij mag er niet aan denken.
Hij knipt het licht op het toilet aan, haalt zijn geslacht uit zijn broek en wacht. Meer dan wat kleine druppeltjes zijn het niet. Hij blaast lucht door zijn neusgaten naar buiten, het galmt hier. Hij kijkt in de spiegel. Een ongeschoren kop, donkere wallen, rood doorlopen ogen. Snel loopt hij richting de woonkamer. Daar gaat hij languit op de bank liggen en pakt de afstandsbediening. Hij maakt er een sport van om zo snel mogelijk van zender naar zender te zappen. Er is niet veel verschil in aanbod: reclames voor telefoonseks en astrologieprogramma’s. Misschien toch even in de keukenkastjes kijken of alles nog goed staat?
In de keuken twijfelt hij. Als Sandra hem hier zag staan, dan was het goed mis. Hij krabt aan zijn baard. Zijn ogen dwalen over het aanrecht, de tegels tegen de muur, de randen van de keukenkastjes en ze eindigen bij de handvatten. Hij legt zijn oor tegen een van de deurtjes. Hij hoort niks. Zou het allemaal nog wel goed staan daar? Nee, dit mag niet. Harrie zet drie passen richting de slaapkamer. Hij moet gewoon weer naast Sandra gaan liggen, misschien valt hij nu wel in slaap.
Ach, wie houdt hij voor de gek? Met een ruk opent hij de deuren van de keukenkastjes. Tot zijn verbijstering ziet hij dat alles verkeerd staat. De koffie staat naast de hagelslag, de blikken bonen en de appelmoes staan veel te ver uit elkaar, de koffiefilters liggen verkeerd om, het bakmeel en de soep staan te ver van elkaar. Het angstzweet breekt hem uit. Hoe kan het zo’n chaos zijn? Geen wonder dat hij niet kon slapen, want hij had het al voorvoeld. Dit moet hersteld worden. Dit gaat lang duren.
Hij grijpt naar de blikken bonen achterin en veegt alles in een keer uit het kastje, zodat de inhoud ervan met hels kabaal half op het aanrecht en half op de vloer belandt. Opnieuw beginnen moet radicaal, volledig afbreken en dan vanaf de basis opbouwen, anders lukt het niet. In kleermakerszit begint hij juiste combinaties te vormen.
Sandra stormt ineens de slaapkamer uit. Haar ogen schieten over en weer tussen de ravage van etenswaren en Harrie, die er bij zit alsof hij in opperste concentratie zijn speelgoedtreintjes aan het sorteren is. Ze weet niet meer uit te brengen dan een zacht: ‘Oh, Harrie’. Ze begint te trillen. Met haar handen voor haar mond en schokkende schouders loopt ze terug de slaapkamer in. Ze sluit de deur.
Verhit
Zonlicht in mijn ogen zorgt ervoor dat ik wakker word. Het is wel erg fel, ik krijg er hoofdpijn van. Ik moet toch maar even opstaan om de gordijnen dicht te doen. Ik probeer me op te richten, maar val meteen weer terug. Wat krijgen we nou? Ik ben vastgebonden. Ik kijk met half dichtgeknepen ogen naar mijn handen die met touw zijn vastgebonden aan de spijlen van het bed. Ook mijn benen zijn hieraan vastgemaakt. Dit is niet mijn bed. Waar ben ik in godsnaam?
Ik lig op een bed dat met het hoofd tegen de muur staat. Veel meer past er ook niet in dit hok. De vloer is bedekt met kranten en overal ligt vuil. Langs de wanden zitten donkere vegen. In de hoeken liggen korrels, zijn dat muizenkeutels?
Rechts van me is een open raam. Rafelige donkere gordijnen hangen lui om de ramen heen. Recht tegenover me is een gesloten deur en links is een badkamerdeur die op een kier staat. De muren hebben hier en daar nog behang, op andere plekken heeft iemand het eraf getrokken. Hier en daar zitten er zelfs gaten in de muren waardoor je de leidingen kunt zien. De leidingen werken blijkbaar wel nog, want ik hoor water lopen.
Komt dat vanuit de badkamer? Is daar iemand aan het douchen? ‘Hallo!’ roep ik. ‘Hallo. Is daar iemand? Hallo!’ Geen reactie. ‘Wat doet u daar? Waarom lig ik hier? Wat is hier de bedoeling van?’ Ik wacht nog even. ‘Hee, geef antwoord!’ Niks.
Voor zover ik het niet al was, begin ik nu toch wel ongerust te worden. Wie weet wat die persoon hiernaast van plan is. Ik probeer me los te wringen. Het touw zit heel strak om mijn polsen en benen. Degene die deze knopen gelegd heeft, weet wat hij doet. Ik spartel op en neer. Het bed piept en kraakt, maar er is niets dat mee geeft. Ik probeer een van mijn handen los te krijgen. Met alle kracht trek ik, maar er gebeurt niets. Ik krijg alleen maar schaafwonden aan mijn pols. Ik probeer nog eens met brute kracht los te komen. Kronkelend beweeg ik op en neer op het bed. Dit is echt zinloos.
‘Hallo! Ik lig hier godverdomme vast en ik heb pijn. Zeg dan wat!’ schreeuw ik richting de badkamer. Behalve het klaterend water geen enkele reactie. Zou de doucher me niet horen? Of is er misschien niemand? Aan de staat van deze kamer te zien zou een lek niet eens zo vreemd zijn.
Ik kijk naar rechts. Misschien dat er mensen buiten iets kunnen horen. Ik richt me zo hoog mogelijk op, misschien kan ik mensen zien, maar er is alleen maar straalblauwe lucht te zien. Als ik nu eens alles op alles zet, misschien hoort iemand me buiten wel. Ik adem diep in: ‘Help!’ brul ik uit alle macht. ‘Ik zit vast! Help me!’ Geen enkele respons. Ik hoor nog steeds alleen het voortdurende geklater vanuit de badkamer.
Zou degene die me hier gevangen houdt weg zijn en later terugkomen? Ik vraag me toch echt af hoe diegene me hier heeft gekregen en waarom ik hier lig. Wat gaat er gebeuren?
Ik laat me achterover vallen. Oké, wat kan ik nu doen. Denk, denk! De zon schijnt intussen nog steeds in mijn gezicht. Mijn hoofdpijn houdt nog steeds aan, daar helpt die zon ook niet bepaald bij.
Ik probeer toch maar eens om een been los te krijgen. Ik strek beide benen en probeer ze met zoveel mogelijk kracht van elkaar weg te trekken. Nul effect. Ik trappel zo goed en zo kwaad het kan met mijn benen, misschien dat dat werkt. Nog minder effect. Ik begin ervan te zweten. Waarom is het ook zo warm?
Is er misschien iets waarmee ik mezelf los kan snijden? Links van het bed staat een krat, met daarop een wijnfles met een kaars erin. Daar heb ik ook helemaal niks aan. Maar daar naast ligt een kurkentrekker. Als ik die nou te pakken krijg. Ik probeer mijn hand zo ver mogelijk uit te strekken tot aan het krat, maar mijn arm is te dik, het touw zit er te strak omheen.
Ik begin er moedeloos van te worden. Ik kijk verder om me heen. Er zijn twee deuren. Een is van de badkamer, de ander zal wel de deur naar de gang zijn. Het is een groene deur met een ijzeren klink. Bovenin de deur zit een klein ruitje. Misschien zal ik straks door dat ruitje kunnen zien dat de onverlaat die me hier heeft vastgebonden terugkeert.
Ik kijk weer naar buiten. Misschien hoor ik, als ik echt mijn best doe, wel geluiden van buiten die een aanwijzing vormen waar ik ben. Ik luister aandachtig. Sporadisch razen auto’s voorbij. Geen tjilpende vogels, geen zuchtje wind, geen ritselende bladeren, geen pratende mensen. Betekent het gebrek aan omgevingsgeluiden dat ik me in een afgelegen gebied bevind?
Terwijl ik stil lig en me concentreer schrik ik plotseling van geluiden die van links komen. Het water stopt met stromen en een douchegordijn wordt opzij getrokken.
De eeuwige zoektocht
Voortdurend ben ik op zoek naar het volgende boek dat me omver blaast. Het boek dat ik me jaren later nog kan herinneren, omdat de schrijver een magische stijl heeft gebruikt, een superieure opbouw heeft toegepast of het karakter van personages zowat met een fileermes heeft blootgelegd.
Heel vaak gebeurt dat niet, meestal zijn boeken nogal doorsnee. Ik lees ze dan met veel plezier, maar ik ben twee weken later alweer vergeten welke naam de hoofdpersoon had, of hoe het verhaal precies eindigde.
De boeken die me na jaren nog steeds niet loslaten zijn boeken als The catcher in the rye, De donkere kamer van Damokles, De ontdekking van de hemel, De engelenmaker, Hoe een klein rotgodje God vermoordde en Hoe word ik gelukkig?
Nu kan ik er weer een aan toevoegen. Het meesterwerk heet Het bloed in onze aderen. De schrijver heet Miquel Bulnes.
Titel, schrijver en omslag spraken me in de boekwinkel eigenlijk helemaal niet zo aan. Laat ik het er maar op houden dat het boek mij gekozen heeft in plaats van andersom.
