Verhit
Zonlicht in mijn ogen zorgt ervoor dat ik wakker word. Het is wel erg fel, ik krijg er hoofdpijn van. Ik moet toch maar even opstaan om de gordijnen dicht te doen. Ik probeer me op te richten, maar val meteen weer terug. Wat krijgen we nou? Ik ben vastgebonden. Ik kijk met half dichtgeknepen ogen naar mijn handen die met touw zijn vastgebonden aan de spijlen van het bed. Ook mijn benen zijn hieraan vastgemaakt. Dit is niet mijn bed. Waar ben ik in godsnaam?
Ik lig op een bed dat met het hoofd tegen de muur staat. Veel meer past er ook niet in dit hok. De vloer is bedekt met kranten en overal ligt vuil. Langs de wanden zitten donkere vegen. In de hoeken liggen korrels, zijn dat muizenkeutels?
Rechts van me is een open raam. Rafelige donkere gordijnen hangen lui om de ramen heen. Recht tegenover me is een gesloten deur en links is een badkamerdeur die op een kier staat. De muren hebben hier en daar nog behang, op andere plekken heeft iemand het eraf getrokken. Hier en daar zitten er zelfs gaten in de muren waardoor je de leidingen kunt zien. De leidingen werken blijkbaar wel nog, want ik hoor water lopen.
Komt dat vanuit de badkamer? Is daar iemand aan het douchen? ‘Hallo!’ roep ik. ‘Hallo. Is daar iemand? Hallo!’ Geen reactie. ‘Wat doet u daar? Waarom lig ik hier? Wat is hier de bedoeling van?’ Ik wacht nog even. ‘Hee, geef antwoord!’ Niks.
Voor zover ik het niet al was, begin ik nu toch wel ongerust te worden. Wie weet wat die persoon hiernaast van plan is. Ik probeer me los te wringen. Het touw zit heel strak om mijn polsen en benen. Degene die deze knopen gelegd heeft, weet wat hij doet. Ik spartel op en neer. Het bed piept en kraakt, maar er is niets dat mee geeft. Ik probeer een van mijn handen los te krijgen. Met alle kracht trek ik, maar er gebeurt niets. Ik krijg alleen maar schaafwonden aan mijn pols. Ik probeer nog eens met brute kracht los te komen. Kronkelend beweeg ik op en neer op het bed. Dit is echt zinloos.
‘Hallo! Ik lig hier godverdomme vast en ik heb pijn. Zeg dan wat!’ schreeuw ik richting de badkamer. Behalve het klaterend water geen enkele reactie. Zou de doucher me niet horen? Of is er misschien niemand? Aan de staat van deze kamer te zien zou een lek niet eens zo vreemd zijn.
Ik kijk naar rechts. Misschien dat er mensen buiten iets kunnen horen. Ik richt me zo hoog mogelijk op, misschien kan ik mensen zien, maar er is alleen maar straalblauwe lucht te zien. Als ik nu eens alles op alles zet, misschien hoort iemand me buiten wel. Ik adem diep in: ‘Help!’ brul ik uit alle macht. ‘Ik zit vast! Help me!’ Geen enkele respons. Ik hoor nog steeds alleen het voortdurende geklater vanuit de badkamer.
Zou degene die me hier gevangen houdt weg zijn en later terugkomen? Ik vraag me toch echt af hoe diegene me hier heeft gekregen en waarom ik hier lig. Wat gaat er gebeuren?
Ik laat me achterover vallen. Oké, wat kan ik nu doen. Denk, denk! De zon schijnt intussen nog steeds in mijn gezicht. Mijn hoofdpijn houdt nog steeds aan, daar helpt die zon ook niet bepaald bij.
Ik probeer toch maar eens om een been los te krijgen. Ik strek beide benen en probeer ze met zoveel mogelijk kracht van elkaar weg te trekken. Nul effect. Ik trappel zo goed en zo kwaad het kan met mijn benen, misschien dat dat werkt. Nog minder effect. Ik begin ervan te zweten. Waarom is het ook zo warm?
Is er misschien iets waarmee ik mezelf los kan snijden? Links van het bed staat een krat, met daarop een wijnfles met een kaars erin. Daar heb ik ook helemaal niks aan. Maar daar naast ligt een kurkentrekker. Als ik die nou te pakken krijg. Ik probeer mijn hand zo ver mogelijk uit te strekken tot aan het krat, maar mijn arm is te dik, het touw zit er te strak omheen.
Ik begin er moedeloos van te worden. Ik kijk verder om me heen. Er zijn twee deuren. Een is van de badkamer, de ander zal wel de deur naar de gang zijn. Het is een groene deur met een ijzeren klink. Bovenin de deur zit een klein ruitje. Misschien zal ik straks door dat ruitje kunnen zien dat de onverlaat die me hier heeft vastgebonden terugkeert.
Ik kijk weer naar buiten. Misschien hoor ik, als ik echt mijn best doe, wel geluiden van buiten die een aanwijzing vormen waar ik ben. Ik luister aandachtig. Sporadisch razen auto’s voorbij. Geen tjilpende vogels, geen zuchtje wind, geen ritselende bladeren, geen pratende mensen. Betekent het gebrek aan omgevingsgeluiden dat ik me in een afgelegen gebied bevind?
Terwijl ik stil lig en me concentreer schrik ik plotseling van geluiden die van links komen. Het water stopt met stromen en een douchegordijn wordt opzij getrokken.

Ik ben zeer benieuwd wat er verder gaat gebeuren. Wacht er niet te lang mee prosper of moet ik zeggen Cliff, Cliff Hanger
Keurmeester T.
16 april 2011 op 00:40
Tja, dat was nu juist de bedoeling. Wellicht schrijf ik hier binnenkort een vervolg op. Misschien ook niet :-p.
Prosper
16 april 2011 op 06:14
Leerlingen zeggen altijd politiek correct: ik vind dat mooi, want dan kun je zelf fantaseren over hoe het verder gaat…
Ik zeg gewoon: ik haat open eindes.
Leuk geschreven, though…
Vriend R.
17 april 2011 op 10:02
Ik haat open eindes niet, maar ben wel benieuwd naar het vervolg.
Ik had vannacht trouwens een nachtmerrie dat ik op een bed lag, waar onder het laken een lijk (skelet) lag (voelde ik – want het was pikdonker). Best eng.
Pieter
18 april 2011 op 06:33