De Zondvloed
“Ik belijd voor de almachtige God, en voor u allen, dat ik gezondigd heb in woord en gedachte, in doen en laten, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld…”, zei de pastoor. Giel kon er maar met moeite zijn aandacht bij houden. Hij moest echt heel nodig plassen. Maar hij kon niet gaan. Niet nu. Hij voelde de plas meer en meer aandringen, terwijl hij op het bankje in de hoek naast Ludo onrustig zat te draaien.
Straks moesten ze weer gaan staan en dan zou hij het echt niet meer op kunnen houden. Giel keek angstvallig in het rond. De pastoor was druk bezig met de mis, die lette nu echt niet op hem. Op de eerste paar rijen zaten wat plukjes oude mensen. Die keken aandachtig naar de pastoor; sommigen hadden hun ogen gesloten om zich te concentreren op wat de pastoor zei. Ludo keek hem af en toe wel aan, maar het was hun niet toegestaan om te praten. Niet dat Ludo normaal gesproken veel zei.
“Heer, ontferm u over ons. Christus, ontferm u over ons. Heer, ontferm u over ons”, sprak de pastoor. Het maakte Giel niet zo gek veel uit, als er zich maar iemand over hem ontfermde en hem toestond naar het toilet te gaan. Deze toestand hield hij namelijk niet zo heel lang vol.
Maar tegenover hem, aan de andere kant van het altaar zat de diaken. Nee, het maakte Giel wel degelijk uit: de diaken hoefde zich niet over hem te ontfermen. Giel had voor het begin van de mis aan hem gevraagd of hij nog even naar de wc mocht, voordat hij zijn jurk en hemd aan had moeten trekken. De diaken had vermanend gereageerd: “Nee, je mag niet naar de wc. Concentreer je nu eens op de plechtige taak die je te vervullen hebt. En dan nog iets: die jurk heet een toog en dat hemd heet een superplie, jongeman. We moeten de dingen wel bij hun juiste naam noemen, anders gaat het helemaal mis!” Dat laatste vond Giel een onbedoeld grappige opmerking. Maar hij hield zijn mond maar dicht. De diaken wilde je niet tegen je in het harnas jagen.
Giel hield het nu echt niet meer. Hij krulde zijn tenen, hield zijn knieën dicht tegen elkaar aan en drukte met zijn vuisten in zijn kruis, in de hoop dat zijn plas terug zou kruipen. Maar het hielp niet. Hij moest alleen maar meer. Alsof zijn blaas een spons was die hij met zijn vuisten uit had geknepen.
Wat was erop tegen om gewoon op te staan en naar de wc te lopen? De gelovigen in de bankjes zouden wellicht raar opkijken en de pastoor zou vast perplex staan. Maar de diaken zou woedend zijn. Die zou hem bij zijn oor vastpakken en zeggen dat hij hen allemaal voor schut had gezet. Niet alleen voor de parochie, maar erger nog: voor God zelf. De toorn van God leek zo erg niet vergeleken met zijn huidige toestand. Maar het vooruitzicht van een boze diaken boezemde bij hem een zodanige angst in dat hij toch maar bleef zitten.
Giel probeerde een andere tactiek. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn geest leeg te maken. Hij haalde diep adem en blies deze heel langzaam weer uit. In deze staat van opperste concentratie lukte het hem een paar tellen om zijn om verlichting brullende blaas te vergeten, maar niet meer dan dat. Het was simpelweg onmogelijk om deze nood weg te drukken. Hoe lang duurde deze mis nog?
De diaken stond op en liep naar het katheder. Nu kwam de eerste lezing, waarbij de diaken een stuk voorlas uit de Bijbel. Alle aanwezigen gingen plechtig staan, Giel moest automatisch mee doen. De diaken las voor: “Noach was zeshonderd jaar toen de zondvloed kwam, een watermassa die de aarde overspoelde.” Dat meen je toch niet, dacht Giel. De diaken had dit fragment vast opzettelijk gekozen, om hem extra te tarten. Zo’n soort man was de diaken wel.
Giel hoorde hem verder lezen: “De vloed overstroomde de aarde veertig dagen lang. Het water steeg en de ark werd opgetild, zodat hij van de aarde loskwam. Het water op aarde nam steeds maar toe, hoger en hoger steeg het, en de ark dreef op het water. Het water bleef voortdurend toenemen, zelfs de hoogste bergen kwamen onder te staan.”
Het was een regelrechte kwelling te moeten luisteren naar een verhaal over de zondvloed terwijl Giel worstelde om zijn eigen zondvloed tegen te houden. Giel vervloekte de diaken in gedachten. Hun verstandhouding was al vanaf dag een verstoord geweest. Giel wilde liever niet, maar zijn ouders hadden hem onmiskenbaar onder dwang aangemeld als misdienaar. Niet lang daarna was hij, net als alle andere nieuwelingen, ’s middags door de diaken opgetrommeld voor een korte instructie. De oude man voerde alle handelingen precies zo uit als tijdens een echte mis. Aan het eind moest iemand met een wierookvat naast de diaken de traptreden bij het altaar af lopen. De keuze was op Giel gevallen. Terwijl hij samen met de diaken de trap af daalde, had hij iets te enthousiast met het vat geslingerd. Een fractie van een seconde later lag de diaken languit op de vloer. Alle nieuwelingen hadden het uitgeschaterd. De diaken had Giel bij zijn oor vastgegrepen en naar de anderen gebulderd dat dit soort grappen duur werden betaald. Daarna sleepte hij Giel naar de sacristie.
“Luister eens hier, snotjoch. Ik zie types zoals jij elk jaar weer voorbij komen. Denken dat je even op je elfendertigste de taak van misdienaar kunt volbrengen. Ik eis toewijding.”
“Sorry meneer, het ging per ongeluk.”
“Dat zijn excuses, daar moet je het niet op laten aankomen, daar houd ik niet van. Je moet doen wat er van je verwacht wordt. Of moet ik tegen je ouders zeggen dat je er de kantjes vanaf loopt?”
“Nee meneer, dat is niet nodig. Doet u dat alstublieft niet?”
Giel zag de bui alweer hangen. Zijn ouders hadden een grenzeloos ontzag voor geestelijken. Wanneer hij thuis zou komen nadat zijn ouders zo’n bericht hadden gekregen, zwaaide er wat.
“Goed dan, ga terug naar de groep en hou je mond dicht.” De diaken gaf hem nog een ferme tik na en liep weer naar de groep nieuwelingen. Sindsdien probeerde Giel hem te mijden, want hij was als de dood per ongeluk iets te doen waarmee hij de diaken tegen het hoofd stootte.
Giel had niet in de gaten dat de pastoor de mis alweer overgenomen had en bezig was met het Onze Vader: “…en leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.”
Giel kon niet meer. Hij liet het maar lopen, eindelijk zijn eigen verlossing. Hij voelde een warme gloed door zijn benen trekken.
“Amen”, reageerden alle aanwezigen op de pastoor. Een langdurige stilte volgde.
Tot zijn schrik hoorde Giel zijn plas druppelen op de tegelvloer van de kerk.
Hij keek naar de overkant van het altaar. De open mond van de diaken veranderde in een gemene grimas.

Hahaha! Ja, dit is een typisch Guusverhaal. Ik heb er hartelijk om gelachen. Het Noachverhaal is goedgekozen, hahaha! Die arme Giel…
Zelfs een actueel verhaal, nu de stand van de Maas zo hoog is.
Heb even een schrijfpauze genomen! Vanmorgen een inval gekregen voor het einde van mijn verhaal, maar nog geen tijd gehad om het uit te schrijven.
De kids willen schone handdoeken in de kast en manlief een schoon setje voor zijn werk. Diepe zucht…ik zoek een lief kaboutertje, hahaha!
Ga zo door, Guus!
Je krijgt trouwens de hartelijke groeten van Marianne, die in onze eerste schrijfcursusgroep heeft gezeten. Ze komt de 19de januari naar onze presentatie kijken. Benieuwd naar wat Katja, jij en ik op de VU hebben bijgeleerd!
Barbara Stollman
8 januari 2012 op 15:26